Disculpatie bij (interne) aansprakelijkheid van het bestuur jegens de rechtspersoon (art. 2:9 BW)

Terug

Elke bestuurder is tegenover de vennootschap gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak (art. 2:9 BW). Elke bestuurder is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hij zich kan disculperen. In deze blog gaan wij in op de mogelijkheid van disculpatie.

Uit art. 2:9 lid 2 BW volgt dat aan individuele disculpatie twee voorwaarden zijn gesteld:

de bestuurder kan – mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken – geen ernstig verwijt worden gemaakt; en
de bestuurder is niet nalatig geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

Vanwege het beginsel van collegiaal bestuur is een succesvol beroep op disculpatie niet een makkelijke opgave. Daarvoor zal onvoldoende zijn als een bestuurder (slechts) heeft geprotesteerd tegen het gevoerde beleid. Als de bestuurder blijkt dat een medebestuurder zijn taak niet behoorlijk vervult en daardoor de vennootschap mogelijk onbehoorlijk wordt bestuurd, zal de bestuurder er alles aan moeten doen wat in zijn macht ligt om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur zoveel mogelijk te beperken. Als hij daarin wordt tegengewerkt door zijn medebestuurders zal de bestuurder mogelijk zelfs ontslag moeten nemen.

In 2013 oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland in de Landis-zaak als volgt. Een taakverdeling binnen het bestuur kan relevant zijn voor de vraag of een individuele bestuurder aansprakelijk is. Een taakverdeling brengt echter niet zonder meer mee dat bestuurders zich kunnen disculperen louter omdat zij andere taken hadden dan die welke onbehoorlijk werden vervuld. Ook ondanks een taakverdeling mag van een bestuurder van een vennootschap worden verwacht dat hij zich rekenschap geeft van de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor (de gerechtvaardigdheid van) voorgenomen besluiten op het vlak van de kerntaken en dat hij zich op grond daarvan een weloverwogen oordeel vormt als basis voor de besluitvorming die daarover in bestuursverband plaatsvindt. Daarbij past dat, indien de daartoe benodigde informatie feitelijk (vooral) van een medebestuurder afkomstig is, de bestuurder zich jegens die medebestuurder kritisch opstelt en hem zonodig ten behoeve van de eigen oordeelsvorming in detail bevraagt omtrent de genoemde feiten en omstandigheden.

In beginsel kan onkunde niet gelden als disculpatiegrond. Het Hof Amsterdam heeft evenwel op 21 september 2010 arrest gewezen in een zaak over de aansprakelijkheid van de bestuurders van een stichting (Stichting Freule Lauta van Aysma). Het Hof oordeelde dat de taakverdeling binnen het bestuur van de stichting, waardoor het financiële beleid aan de medebestuurder (als penningmeester) werd overgelaten, gecombineerd met het vertrouwen dat de bestuurder, die geen financiële achtergrond heeft, in de medebestuurder had na hun lange samenwerking, ook als disculperende factor kan worden aangemerkt. Het Hof vervolgt met de overweging dat weliswaar van de bestuurder (als zorgvuldig bestuurder) verwacht had mogen worden dat hij zich beter (door zijn medebestuurder) had laten voorlichten en dat hij bij de ondertekening van stukken in verband met diverse transacties meer had doorgevraagd, maar dat deze nalatigheid minder zwaar weegt juist omdat de bestuurders niet de ins en outs van de transacties kende. Tot slot acht het Hof van belang dat de bestuurder zijn werkzaamheden voor de stichting als nevenfunctie zonder vergoeding verrichtte, terwijl niet gebleken is dat hij enig eigen voordeel uit de transacties kon verwachten.

Net als bij zoveel zaken waarover wordt geprocedeerd, gaat het uiteindelijk allemaal om de omstandigheden van het geval.

Publicatiedatum 28/04/2017
Disculpatie bij (interne) aansprakelijkheid van het bestuur jegens de rechtspersoon (art. 2:9 BW)

Volg ons op social media