Eerste uitspraak van een CAO-ontslagadviescommissie JAR 2016 44

Terug

De WWZ geïntroduceert de mogelijkheid om bij CAO (of bestuursregeling) een ontslagcommissie in te stellen. In geval van bedrijfseconomische gronden of langdurige arbeidsongeschiktheid kan zo’n cao-ontslagcommissie - in plaats van het UWV - oordelen over een verzoek tot toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Het betreft een uitspraak van de ABN AMRO Geschillencommissie van 10 februari jl. inzake het verzoek om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen met een werkneemster op grond van bedrijfseconomische omstandigheden.

Het betrof een werkneemster van 62 jaar die 34 jaar in dienst was bij ABN AMROen wier functie als medewerker receptie was vervallen toen de receptie per 1 januari 2014 werd gesloten.Op grond van de eigen CAO diende voor haar gedurende een jaar naar ander werk te worden gezocht voor tot ontslag mocht worden overgegaan. De bank heeft deze zgn. ‘boventalligheidstermijn’ voor deze werkneemster met een jaar verlengd. De werkneemster had zodoende twee jaar de tijd een andere functie te verwerven, maar zij verrichtte in die periode geen enkele sollicitatie, intern noch extern. Omdat wegens verdere reorganisaties inmiddels het aantal andere boventallige werknemers enorm opliep werd, zeker gelet op het totale stilzitten van werkneemster, de kans op herplaatsing miniem. De werkneemster weigerde aan het eind van de boventalligheidsperiode in te stemmen met beëindiging. De reden daarvoor lag mede in een geschil over het feit dat zij niet in aanmerking kwam voor financiële compensatie voor haar ontslag omdat zij gezien haar leeftijd al met pensioen kon gaan.
De werkgever diende daarop een verzoek tot toestemming in bij de ABN AMRO Ontslagadviescommissie (hierna de Ontslagadviescommissie).

De Ontslagadviescommissie geeft aan twee zaken te toetsen, namelijk
I) Of er een redelijke grond voor de opzegging van de arbeidsoverkomst is, namelijk dat de functie is komen te vervallen over een toekomstige periode van 26 weken te bezien te rekenen vanaf de dag waarop het verzoek om toestemming voor opzegging wordt beslist, en
II) of herplaatsing in een andere passende functie, al dan niet behulp van scholing, binnen een termijn van vier maanden (de opzegtermijn) vanaf de dag waarop op het verzoek om toestemming wordt beslist, in de rede ligt.

De beoordeling van de Ontslagadviescommissie komt daarmee overeen met de beoordeling van het UWV op grond van de Ontslagregeling, dat komt ook doordat in deze specifieke zaak geen sprake was van (afwijking van) het afspiegelingsbeginsel omdat de functie in het geheel vervallen was. Dat kan dus anders zijn indien in de betreffende CAO mogelijk is gemaakt dat kan worden afgeweken van de ontslagvolgorde zoals genoemd in de Ontslagregeling. We zien in de uitspraak niet terug of de Ontslagadviescommissie zich gebonden acht aan de beleidsregels (de nadere uitvoeringsregeling) van het UWV. Dat is jammer omdat hoewel de wetgever daar van uit lijkt te gaan, het tegendeel in de literatuur ook wel wordt bepleit.
Wel gaf de Ontslagadviescommissie aan dat zij NIET bevoegd is te oordelen over het verzoek van werkneemster over de financiële compensatie of over toekenning van een transitievergoeding.

Resultaat in deze zaak is dat de gevraagde toestemming werd gegeven.
De Ontslagadviescommissie overwoog daartoe dat twee jaar lang zonder succes was getracht werkneemster te herplaatsen, dat werkneemster onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht en dat zij onvoldoende concreet heeft aangegeven welke herplaatsingsmogelijkheden er naar haar mening zouden zijn. Het tegenverzoek van de werkneemster inzake de compensatieregeling en de transitievergoeding is dus niet beoordeeld, het is daarom de vraag of het geschil tussen partijen nu volledig is opgelost. Waarschijnlijk komt de commissie, als Geschillencommissie (en niet als Ontslagadviescommissie) partijen weer tegen, tenzij men alsnog tot een regeling kan komen.

Publicatiedatum 03/03/2016

Volg ons op social media