Let op bij het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW bij een min/max-arbeidsovereenkomst

Terug

Een groepsleidster voor- en naschoolse opvang werkt op basis van een min/max-contract met een minimumaantal uren van 29 en een maximum van 38 uur per week, in overleg te spreiden over 5 dagen per week. Wanneer de werkgever de groepsleidster 2,5 uur per week minder inroostert dan in voorafgaande periode ontstaat discussie over de omvang van de arbeidsduur.

De groepsleidster doet een beroep op art. 7:610b BW en vordert in kort geding primair loondoorbetaling op basis van een arbeidsduur van 36,4 uur en subsidiair 33,5 uur.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkgever het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW heeft weerlegd omdat partijen bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst binnen de regeling van het minimum en maximum aantal uren zijn gebleven.

In hoger beroep stelt het hof voorop dat in het kader van een min/max-overeenkomst het er niet zozeer gaat om het gemiddeld aantal uren te bepalen, maar om in het kader van de rechtsverhouding tussen partijen en de wijze waarop zij daaraan uitvoering hebben gegeven het structureel minimum (en eventueel maximum) aantal uren vast te stellen. In dit geval is de omvang van de arbeid eenduidig overeengekomen, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen minimum arbeidsduur.

De groepsleidster voert aan dat zij volgens een vast werkrooster (tenminste) 33,5 uur per week heeft gewerkt en dat zij in de afgelopen jaren structureel voor gemiddeld 36,4 uur is ingeroosterd. Volgens de werkgever was sprake van extra uren door ziekte en zwangerschapsverlof, heeft de groepsleidster ten onrechte vakantie-uren die als werkuren zijn uitbetaald meegenomen, heeft ze grote behoefte aan flexibiliteit door wisselingen in het aantal op te vangen kinderen, en horen de extra klusjes waarvoor de groepsleidster is gevraagd niet bij de berekening van het structureel aantal uren. De groepsleidster is hiervoor ingeschakeld omdat de werkgever rekening heeft gehouden met haar wens zoveel mogelijk uren te maken.

De werkgever komt tot een berekening van 30,87 structurele uren per week, wat wordt onderbouwd met overzichten van de wekelijkse inroostering. Kort na het ontstaan van de discussie over de arbeidsomvang is de groepsleidster bovendien weer meer ingezet en werkt ze nagenoeg (tenminste) 33,5 uur.

Het hof is voorshands van oordeel dat de werkgever met de gegeven toelichting en de daaraan ten grondslag gelegde stukken het rechtsvermoeden dat de groepsleidster (tenminste) 36,4 uur per week werkt toereikend heeft weerlegd. De groepsleidster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in het kader van de min/max-overeenkomst het minimum aantal uren op tenminste 36,4 uur dient te worden gesteld.

Bij de subsidiaire vordering tot doorbetaling van het loon op basis van (tenminste) 33,5 uur per week heeft zij geen spoedeisend belang, nu zij nagenoeg iedere week tenminste 33,5 uur heeft gewerkt.

Publicatiedatum 10/06/2015

Volg ons op social media