Ontbindende voorwaarde in oproepovereenkomst

Terug

Een werkneemster verschilt met haar werkgever van mening over de status van haar contract: zij meent dat ze een contract voor onbepaalde tijd heeft. Volgens de werkgever is de ontbindende voorwaarde ‘er is geen werk meer’ ingegaan. Op 1 juli 2011 ontstaat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd: er is een oproep om te komen werken en de werkneemster heeft ook daadwerkelijk gewerkt. Deze arbeidsovereenkomst duurde, op grond van de voorovereenkomst, twee maanden. Na 1 september is er sprake van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst met twee maanden, tot 1 november 2011 omdat de werkneemster is blijven werken zonder dat er een nieuw contract is gesloten. Een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is stilzwijgend ontstaan toen de werkneemster ook na 1 november bleef doorwerken. De vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst ontstond toen de partijen op 1 januari 2012 een nieuwe oproepovereenkomst sloten. Op dat moment ontstond nog geen contract voor onbepaalde tijd vanwege de toen geldende verruimde ketenregeling voor jongeren tot 27 jaar. Arbeidsovereenkomst nummer vijf, een overeenkomst voor onbepaalde tijd, is door de oproep van 1 maart 2012 ontstaan. Ontbindende voorwaarde niet objectief geformuleerd De werkgever beroept zich op de ontbindende voorwaarde uit het contract: de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege als er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht nodig is. Dat is volgens de rechter geen objectieve reden, en daarmee is de ontbindende voorwaarde ongeldig. De werkgever voert weliswaar aan dat de inzet van de werkneemster steeds een specifiek doel had, zoals vervanging bij ziekte, maar uit het overzicht van oproepen blijkt dat de werkneemster ook voor ander extra werk is ingezet.
Publicatiedatum 23/10/2013

Volg ons op social media