Ontslag op staande voet na schennispleging: wie moet wat bewijzen?

Terug

In de ontslag op staande voetbrief stond dat een schoonmaakster had gezien dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek had gehaald, in zijn handen vasthield en aan haar toonde.

Zij was daarvan geschrokken en heeft direct haar beklag gedaan, terwijl ook aangifte is gedaan bij de politie. Toen de man korte tijd later werd gezocht om tekst en uitleg te geven, bleek hij onvindbaar te zijn en is hij – zo stelt werkgever althans – ineengedoken achter een stapel houtproducten gevonden.

De man ontkende de aantijgingen van de vrouw. Hij werd op staande voet ontslagen omdat de werkgever ervan overtuigd was dat de schoonmaakster het verhaal niet had verzonnen, gegeven de impact die het voorval op haar had gehad, hetgeen de werkgever zelf had gezien.

De advocaat van de man vocht het ontslag aan en de vraag was toen wie wat moest bewijzen. Het was immers het woord van de schoonmaakster tegen dat van de man. De kantonrechter meende dat vanwege deze patstelling niet kon worden beoordeeld wie de waarheid sprak en wat de juiste lezing was.

De werkgever had volgens de kantonrechter dus niet bewezen dat sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

Maar het Gerechtshof komt in hoger beroep tot een ander oordeel en hecht daarbij waarde aan het feit dat (pas) in hoger beroep 8 verklaringen in het geding zijn gebracht. Deze getuigen hadden weliswaar niet zelf gezien wat er gebeurd was, maar hadden wel de ontreddering van de schoonmaakster gezien, of het feit dat de man zich zou hebben verschanst toen hij gezocht werd en/of eerder hebben ervaren dat de man nogal seksistisch was.

Het Hof komt tot het oordeel dat de geloofwaardige verklaring van de schoonmaakster en de verklaringen van de andere getuigen tezamen maakten dat aannemelijk was dat de man zich had schuldig gemaakt aan schennispleging.

Publicatiedatum 07/10/2014

Volg ons op social media