Stuitingshandeling gericht tegen vof werkt (in beginsel) niet ten opzichte van vennoot

Terug

De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 14 september 2016 vonnis gewezen in een zaak die ging over de vraag of een vordering op een voor schulden van de vof hoofdelijk aansprakelijke vennoot was verjaard. 

In de zaak die bij de rechter voorlag staat niet ter discussie dat de vennoot hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld van de vof. De vennoot verweert zich echter met de stelling dat de vordering op hem is verjaard. Dit verweer is gebaseerd op artikel 3:310 lid 1 BW. De eisende partij stelt echter dat de verjaring is gestuit, onder meer door brieven aan de vof.

Uit arresten van de Hoge Raad volgt dat de crediteur van een vof verschillende samenlopende vorderingsrechten heeft: (i) een vorderingsrecht tegen de gezamenlijke vennoten dat verhaalbaar is op het vennootschapsvermogen, en (ii) een vorderingsrecht tegen de venno(o)t(en) persoonlijk. Als een crediteur van de vof veroordeling vordert van de vof óf juist van een vennoot, doet hij slechts één van die rechten gelden. Het zijn twee aparte vorderingen. Of die twee vorderingen toewijsbaar zijn, moet voor elk van beide apart beoordeeld worden, afhankelijk van de verweren die zij voeren.

Deze arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1959:BG9455 en ECLI:NL:HR:1969:AC0846) zijn vanwege de data van de uitspraken (18 december 1959 en 9 mei 1969) niet toegankelijk via www.rechtspraak.nl.

In dit geval was de stuitingsbrief gericht aan de vof en niet aan de vennoot persoonlijk. De vennoot heeft de brief wel ontvangen. De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag of de vennoot uit de brief moest begrijpen dat deze ook een aansprakelijkstelling van hem in persoon inhield, afhangt van de omstandigheden, waaronder de formulering van de brief. De rechtbank acht in dit geval van belang dat in de brief niet wordt verwezen naar de rechtsvorm van de geadresseerde en dat de enige verwijzing naar de vennoten is te vinden in de adressering ‘t.a.v. de directie' en dat de brief verder op geen enkele manier naar afzonderlijke aansprakelijkheid van de vennoten in persoon verwijst. De aanduiding ‘de directie' betreft in feite gewoonlijk de directeur(en) in hun verhouding tot het bedrijf, en juist niet als persoon, aldus de rechtbank. De rechtbank vervolgt met de overweging dat de vennoot mogelijk wist dat hij ook in persoon aansprakelijk gesteld kon worden, maar dat hij ook dan uit deze formulering niet hoefde af te leiden dat deze brief als zodanig bedoeld was.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering tegen de vennoot verjaard is, waardoor de vordering wordt afgewezen.

Deze uitspraak illustreert mooi dat de vordering op de hoofdelijk verbonden individuele vennoot apart moet worden behandeld van de vordering op de vof. Dit heeft niet alleen gevolgen voor het stuiten van de vorderingen, maar bijvoorbeeld ook voor een mogelijk verrekeningsverweer dat door de ene partij wel en de andere partij niet kan worden gevoerd. Van belang is hier secuur mee om te gaan.

bron: mr. J. van der Grinten

Publicatiedatum 07/10/2016

Volg ons op social media