Transitievergoeding en de hoogte ervan

Terug

Onder de WWZ maken werknemers die langer dan 24 maanden in dienst zijn geweest, aanspraak op de zogenaamde Transitievergoeding. De werknemer heeft recht op deze vergoeding indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever, op verzoek van de werkgever is ontbonden of bij het eindigen van rechtswege van een tijdelijk contract wat op initiatief van de werkgever niet wordt verlengd.

De werknemer kan de transitievergoeding vrijelijk besteden en hoeft die niet aan te wenden voor scholing, outplacement of andere hulp bij het vinden van een nieuwe baan.

De hoogte van de (bruto) transitievergoeding is als volgt bepaald:

Gedurende de eerste 10 jaar (oftewel de eerste 120 maanden) bouwt de werknemer na elke periode van 6 maanden een vergoeding op, gelijk aan 1/6e deel van het maandloon, oftewel 1/3 maandloon per gewerkt dienstjaar.

Vanaf het 10e dienstjaar (oftewel maand 121) van het dienstverband, versneld de opbouw en wordt deze 1/4e deel van het maandloon, oftewel ½ maandloon per gewerkt dienstjaar.

De opbouw per 6 maanden betekent een volledige periode van 6 maanden, er wordt dus niet meer afgerond.

Het maandloon bestaat voor deze berekening uit het bruto maandsalaris en de vaste loonbestanddelen (vakantietoeslag, structurele overwerkvergoeding, 13e maand en vaste ploegentoeslag).

De transitievergoeding is maximaal (bruto) Euro 75,000, of maximaal 1 jaarsalaris indien het jaarsalaris hoger is dan Euro 75,000.
Indien de werknemer op het moment van het eindigen van de arbeidsovereenkomst 50 jaar of ouder is en de arbeidsovereenkomst tenminste 10 jaar heeft geduurd, dan geldt dat de vergoeding vanaf het 10e dienstjaar wordt opgebouwd op basis van ½ maandloon per 6 maanden, oftewel 1 maandloon per gewerkt dienstjaar.

Deze regeling geldt niet voor kleine werkgevers (gemiddeld minder dan 25 werknemers).

Publicatiedatum 19/08/2015

Volg ons op social media