Wanneer vangt de bedenktermijn bij ontslag met wederzijds goedvinden eigenlijk aan?

Terug

De advocaat van de werknemer reageerde per e-mail van 21 september 2015 op een beëindigingsvoorstel van de werkgever.

“Client kan akkoord gaan met uw vaststellingsovereenkomst op één punt na. Graag ziet hij aanpassing van artikel 18 betreffende het non concurrentiebeding, in die zin dat het non-concurrentiebeding voor zover dat geldt, ongedaan wordt gemaakt.

Ik verzoek u de vaststellingsovereenkomst aan te passen, waarna mijn client zo spoedig mogelijk de door uw client ondertekende vaststellingsovereenkomst zal retourneren aan u.”

Daarop wordt de vaststellingsovereenkomst door de werkgever aangepast en dezelfde dag nog opnieuw naar de advocaat van de werknemer gestuurd. Per kerend e-mailbericht laat de advocaat van de werknemer weten dat de overeenkomst nu akkoord is en ter ondertekening per gewone post aan de werknemer kan worden gezonden. Uiteindelijk zal de werknemer de vaststellingsovereenkomst pas op 28 september 2015 ondertekenen.

Werknemer roept zijn bedenkrecht in
De werknemer in kwestie beroept zich vervolgens op 9 oktober 2015 op zijn bedenkrecht. Maar is hij daarmee niet te laat? Volgens de wet komt een overeenkomst namelijk tot stand door aanbod en aanvaarding. De advocaat van de werknemer heeft met haar e-mail van 21 september 2015 het schriftelijke aanbod van de werkgever geaccepteerd. Daarmee is op dat moment een overeenkomst tot stand gekomen. Volgens de werkgever is het beroep van de werknemer op zijn bedenkrecht dan ook te laat ingeroepen.

Rechter: ondertekeningsdatum vaststellingsovereenkomst is bepalend voor start van bedenktermijn

De Rotterdamse rechter kiest echter voor een andere oplossing. Volgens de rechter is uit de wettekst over het bedenkrecht niet direct op te maken op welk moment de vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen is. De rechter verwijst vervolgens naar de wetsgeschiedenis en komt tot het oordeel dat de rechtszekerheid ermee gebaat is dat er een duidelijk aantoonbaar en concreet moment is waarop de bedenktermijn aanvangt. Volgens de rechter is het dus logisch om daarvoor uit te gaan van het moment waarop de vaststellingsovereenkomst (door de werknemer) ondertekend is.

Publicatiedatum 26/02/2016

Volg ons op social media