Zin en onzin over de billijke vergoeding

Terug

De Hoge Raad heeft bepaald dat een werknemer bij ontslag geen genoegen hoefde te nemen met “de wettelijke ontslagvergoeding van € 4.000,-“, maar dat deze vanwege het gedrag van de werkgever een hogere vergoeding kon krijgen.

De rechter had hiermee, volgens een nieuwslezer, de weg naar een hogere vergoeding opengesteld. Onzin uiteraard: de weg naar de hogere vergoeding staat gewoon in de wet, en die hogere vergoeding – de billijke vergoeding – is ook al vaak toegekend.

Wat inderdaad wel nieuws is, is dat dit de eerste uitspraak van de Hoge Raad(of één van de eerste uitspraken) is waarin de billijke vergoeding aan de orde komt. En ja, het is ook wel een bijzondere uitspraak, niet omdat vanwege die billijke vergoeding zelf, maar wel vanwege de gronden. Het is een beetje een academische discussie, maar het gaat om de vraag of persoonlijke omstandigheden van een werknemer mee kunnen wegen in het bepalen van de billijke vergoeding.

Bij het kennelijk onredelijk ontslag (een wetsbepaling die met de WWZ is verdwenen) kon dat wel; de WWZ bepaalt echter dat de gevolgen van het ontslag (uitputtend) worden gecompenseerd met de transitievergoeding, en de tekst van de wet lijkt te impliceren dat de billijke vergoeding alleen maar wordt gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid bij de werkgever, en niet aan de “schade” van de werknemer.

De Hoge Raad spreekt nu uit dat dat laatste wél het geval is. We zullen dus weer gaan zien dat in ontslagprocedures werknemers gaan schetsen waarom het ontslag voor hen in het bijzonder schadelijk is, en die persoonlijke omstandigheden zullen dus weer een rol in de procedure gaan spelen. Overigens: feit blijft dat alléén persoonlijke omstandigheden niet voldoende zullen zijn; basis voor de billijke vergoeding blijft dat de werkgever ernstig verwijtbaar moet hebben gehandeld. 

Publicatiedatum 10/07/2017
Zin en onzin over de billijke vergoeding

Volg ons op social media