Ontslag op staande voet: geen billijke- en transitievergoeding

Terug

Ontslag op staande voet
A werkt sinds september 2012 als Coördinator Events bij B. De partner van A (C) organiseert netwerkbijeenkomsten. C heeft hiervoor in oktober 2016 en februari en april 2017 gebruik gemaakt van de presentatieruimte van B. Voor deze bijeenkomsten heeft A lunches besteld bij een cateringbedrijf. De facturen van dit cateringbedrijf zijn aan B gestuurd en – na goedkeuring door A – door B betaald. B ontdekt dit en ontslaat A op 20 juni 2017 op staande voet omdat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan diefstal en bedrog.

Werkneemster eist transitievergoeding en meer
A stelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en eist een billijke vergoeding van € 90.000,-, een transitievergoeding (€ 5.751,-) en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (€ 5.112,-). Zij heeft ter goeder trouw gehandeld door het cateringbedrijf juist te verzoeken om de facturen naar B te sturen, zodat zij ze zou kunnen controleren. Zij ging er vanuit dat de financiële administratie van B de facturen zou doorbelasten aan C. A dacht ook dat de directeur van B dit met de financiële administratie had afgesproken.

Ernstig verwijtbaar handelen werkneemster
B stelt dat er afgesproken was dat alle eventuele door C gemaakte kosten voor rekening van C zouden komen. Door B deze kosten te laten betalen heeft A misbruik van haar positie gemaakt. Zij wist dat zij de facturen zou ontvangen en goedkeuren. Haar handelen is door de directeur bij toeval ontdekt, omdat hij steekproefsgewijs de administratie controleert. De factuur van april 2017 viel hierbij door de mand. B heeft A hiermee geconfronteerd. A heeft toegegeven dat zij dit niet had moeten doen. B heeft haar – na onderzoek – direct ontslagen.

‘Dringende reden’ voor ontslag?
Uit artikel 7:677 BW blijkt dat er voor ontslag op staande voet een ‘ dringende reden’ moet zijn. Een ‘dringende reden’ (artikel 7:678 BW) is bijvoorbeeld een gedragingen waardoor niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft. A heeft volgens de rechter niet onderbouwd dat B bekend en akkoord was met haar handelswijze. Zij heeft de catering geregeld, zij heeft gezorgd dat de facturen bij haar binnenkwamen en zij heeft ze – zonder nader bericht – ter betaling doorgestuurd aan de financiële administratie van B.

Ontslag op staande voet rechtsgeldig?
Volgens de rechter heeft A door haar handelen het risico genomen dat B haar – na ontdekking van de feiten – zou beschuldigen van diefstal en bedrog. B is door haar handelswijze ook financieel benadeeld. Dit zou B nooit geweten hebben als hij niet zelf onderzoek had gedaan. Dat C de facturen na het ontslag op staande voet alsnog heeft betaald aan B, maakt dit volgens de rechter niet anders. Alles tezamen is dit voldoende grond voor ontslag op staande voet.

Ontslag onverwijld medegedeeld?
A stelt ook dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, zoals wel vereist is (artikel 7:677 BW). De eerste factuur dateert namelijk van oktober 2016 en het ontslag volgde pas in juni 2017. B stelt hier tegenover dat het bedrog pas in april 2017 aan het licht is gekomen tijdens een steekproef. Na afronding van zijn onderzoek heeft hij haar direct ontslagen. De rechter is van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven.

Ontslag terecht, vergoedingen afgewezen
Het ontslag op staande voet is dus terecht gegeven en dus niet in strijd met artikel 7:671 BW. Het verzoek om een billijke vergoeding (van € 90.000,-) wordt afgewezen. Ook het verzoek om een transitievergoeding (van € 5.751,-) wordt afgewezen, omdat het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkneemster (artikel 7:673 lid 7 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat diefstal onder ‘ernstig verwijtbaar handelen’ valt. Omdat er onverwijld is opgezegd, is er ook geen sprake van onregelmatige opzegging.

Publicatiedatum 10/12/2017
Ontslag op staande voet: geen billijke- en transitievergoeding

Volg ons op social media