Uitvoeringsregels UWV gewijzigd

Terug

Met ingang van 1 juli 2016 is de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de Ontslagregeling in verband met de afschaffing van de VAR en enkele andere wijzigingen (hierna: ‘de Regeling’) in werking getreden.

Deze wijziging van de Ontslagregeling heeft tot gevolg dat ook de ‘Uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid’ en de ‘Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen’, waarin de Ontslagregeling nader is uitgewerkt, op punten zijn gewijzigd.

De belangrijkste wijzigingen zijn als volgt.


In paragraaf 2.2 en 2.3 van de Uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is verduidelijkt dat, bij de beoordeling van de vraag of herplaatsing van een werknemer die langer dan 104 weken arbeidsongeschikt is, tevens de arbeidsplaatsen dienen te worden betrokken van werknemers (i) met een tijdelijke arbeidsovereenkomst die binnen de redelijke termijn voor herplaatsing van rechtswege eindigt, (ii) met een oproepcontract waarin de omvang van de arbeid niet is vastgelegd, (iii) die zijn ingeleend van een andere vestiging, (iv) die van een andere werkgever zijn ingeleend en (v) die de AOW-gerechtigde leeftijd reeds hebben bereikt, dienen te worden betrokken. Hetzelfde geldt ook voor de arbeidsplaats van (vi) degene die anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is, tenzij de werkzaamheden worden verricht door een echte zelfstandige en aannemelijk is dat deze werkzaamheden voor een doelmatige bedrijfsvoering anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst worden verricht. In paragraaf 2.4 is toegevoegd dat de redelijke termijn voor herplaatsing die geldt voor een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt één maand bedraagt.

De arbeidsplaatsen van voornoemde groepen werknemers dienen krachtens de gewijzigde ‘Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen’ óók te worden betrokken in de beoordeling van de vraag of een door bedrijfseconomische redenen met ontslag bedreigde werknemer kan worden herplaatst. In de uitvoeringsregels is tevens aangepast dat, indien geen OR is ingesteld maar wel een personeelsvertegenwoordiging, deze slechts hoeft te worden geraadpleegd als ten minste een kwart van de arbeidsplaatsen komt te vervallen. Tevens is een uitzondering opgenomen op de regel van artikel 7:671a lid 5 BW, dat voorschrijft dat bij het vervallen van arbeidsplaatsen eerst afscheid moet worden genomen van personen die werkzaam zijn anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst, voor zelfstandigen. Echte zelfstandigen mogen op grond van deze uitzondering buiten beschouwing worden gelaten, indien dat noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Voorts is in de Uitvoeringsregels verduidelijkt hoe het afspiegelingsbeginsel in enkele bijzondere situaties dient te worden toegepast. Ook bij een bedrijfseconomisch ontslag geldt dat de redelijke termijn voor herplaatsing die geldt voor een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt één maand bedraagt. Tot slot zijn in een aantal bepalingen tekstuele wijzigingen aangebracht ter voorkoming of herstel van onduidelijkheden.

Publicatiedatum 07/07/2016

Volg ons op social media